René Vanhuffel - 100 jaar
verwijzing Kracht n°3/2026 pagina 4
Ik heb René en Issy voor het eerst ontmoet op vrijdag 27 augustus 2010 op de Borsbeekbrug in Berchem. Op die dag vertrokken we met een reis naar Esterwegen.
Goede vriend René,
Lieve vriendin Issy,a
Beste Nadine
Beste familie van René,
Beste vrienden en geburen van René,
Lieve vriendinnen en goede vrienden van de Nationale Confederatie van Politieke gevangenen en Rechthebbenden,
van de Verbroedering Lier 40-45,
van de Ridders met Zwaarden
en van de Vriendenkring van Esterwegen en Nacht und Nebel,
Dames en Heren,
Graag ga ik een bepaalde beperkte periode uit het leven van René beschrijven. Voor sommigen wordt het een opfrissen van het geheugen voor anderen misschien een primeur, een ongekend facet van de René die ze al zolang menen te kennen.
François Vanhuffel, wij kennen hem als René, wordt geboren op 5 augustus 1926.
Zijn vader is beroepsmilitair en zijn moeder, zoals gebruikelijk in die tijd is huisvrouw.
Samen met zijn zus vormen zij een harmonieus gezin.
Vanaf 1939 studeert René aan de Cadettenschool voor Onderofficieren, De Saffraanberg in Sint-Truiden. Hij volgt er de lagere humaniora om zich voor te bereiden op de Militaire School in Brussel.
Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers België binnen en alle leerlingen van de Cadettenschool worden onmiddellijk naar huis gestuurd.
Met de gruwel van de Eerste Wereldoorlog in het achterhoofd vluchten het gezin Vanhuffel naar Frankrijk.
Ze komen snel terug naar huis en het leven herneemt zijn normale gangetje.
Alhoewel! normaal, maar wel aangepast aan de Nieuwe Orde.
Na het Lager Middelbaar afgemaakt te hebben in Lier gaat René naar het Atheneum in Antwerpen. In september 1943 begint hij aan de poësis, het voorlaatste jaar.
Schoollopen zorgt voor orde en regelmaat en René leeft in een beschermde cocon.
Hij hoort wel het gemor over schaarste, over stijgende prijzen, over rantsoenering.
’s Avonds mag je niet meer op straat en buiten is alle verlichting verboden.
Al die Verboten werken op hem in en bouwen ongemerkt een gezonde tegendraadsheid op.
Destijds, op De Saffraanberg heeft René Marcel Denoël leren kennen. In januari 1941 ontmoeten ze elkaar terug en Marcel speelt in op zijn patriottische gevoelens en op die gezonde tegendraadsheid.
Hij lijft René in bij het Belgisch Legioen en René is plots actief lid van de Belgische weerstand.
Dat actief lid zijn, stelt op dat ogenblik nog niet veel voor. Het beperkt zich tot het verspreiden van vlugschriften van de sluikpers.
In de ochtend van 7 december 1941 volgt de verrassingsaanval op Pearl Harbor en de Amerikanen gaan ook actief deelnemen aan de oorlog.
Een Duitse overwinning is nu niet meer vanzelfsprekend.
Tegen eind 1942 smelt het Belgisch Legioen, afdeling Lier samen met de Witte Brigade.
Vanaf nu worden ze actiever en beter georganiseerd. Naast het verdelen van vlugschriften organiseren ze nu ook overvallen om rantsoenzegels te bemachtigen, zegels die ze nodig hebben om ondergedoken werkweigeraars aan eten te helpen.
Ze bereiden zich voor om, bij de invasie van de geallieerden – want daar geloven ze nu wel in – actief te kunnen helpen en hen te ondersteunen met informatie, spionage en sabotage.
René woont tegenover het station van Lier en noteert alles over de Duitse militaire transporten: het aantal wagons, hun lading, het uur van aankomst en van vertrek, de richting waarheen de treinstellen rijden… Er wordt hem verteld dat deze gegevens doorgeseind worden naar England.
René is een spion!
Eind september 1943 wordt een van de leiders van de Witte Brigade Lier opgepakt.
René duikt onder en gaat bij een tante slapen. Als er drie weken lang niets gebeurt, voelt hij zich gerustgesteld en gaat terug naar huis.
Een foute inschatting!
Diezelfde nacht nog, de nacht van 15 oktober 1943, staan ze voor de deur.
Tot zijn grote verbazing wordt ook zijn vader opgepakt.
Plots blijkt die ook lid te zijn van dezelfde weerstandsgroep.
Vader wist niets over René. René wist niets over zijn vader.
Gelukkig wordt hun huis maar heel oppervlakkig doorzocht, want ze hebben een Belgische vlag en een revolver in huis verstopt. Als die was gevonden, zou dit onherroepelijk tot de doodstraf geleid hebben.
De radio nemen ze wel mee.
Achter het venster van één van de wachtende auto’s herkent hij een lid van de groep.
Er zat dus een verrader in de groep.
In de lokalen van de Feldgendarmerie in Lier zien zij hoe een hele nacht lang de opgepakte kameraden binnengebracht worden.
De oogst van de razzia bedraagt 15 man.
’s Ochtends worden zij naar de Kriegswehrmachtsgefangnis in de Begijnenstraat in Antwerpen gevoerd.
Drie keer zal René ondervraagd worden.
Zijn geheugen weigert dienst en hij ontkent alles.
De Gestapo gaat echter hardhandig te werk en hij wordt geslagen en gestampt.
Met hun zware, ijzerbeslagen schoenen stampen ze keer op keer op zijn voeten.
Uiteindelijk zal hij sommige feiten bekennen. De verrader is namelijk ook aanwezig en hij heeft de Gestapo bijzonder grondig en correct ingelicht over de activiteiten van de Lierse weerstand.
Om goed te laten doordringen wat hen te wachten staat, zit in de cel bij de gevangenen ook altijd minstens één ter dood veroordeelde.
Wanneer die ’s ochtends wordt weggevoerd om geëxecuteerd te worden, wordt dat feit later altijd bevestigd door de bewakers.
Als morele domper en schrikbeeld kan dit tellen.
En dan is er de honger.
Een jonge man van 17 jaar heeft absoluut niet genoeg aan één snee brood van een vinger dik met een blokje smeerkaas als ontbijt,
’s middags een pollepel veredeld water dat ‘soep’ genoemd wordt, en eenzelfde snee brood met smeerkaas als afsluiter ’s avonds.
Alle lange dagen lijken op elkaar en kruipen traag voorbij.
Begin januari 1944 verlaten zij eindelijk de Begijnenstraat en worden via de gevangenis van Sint-Gillis op transport gezet naar Duitsland.
Na enkele dagen in de gevangenis van Essen komen ze aan in Lager VII in Esterwegen.
Dit wordt de eerste kennismaking met een concentratiekamp.
Na een maand wordt hij naar het tien kilometer verder gelegen kamp van Börgermoor gebracht.
Hier wordt opnieuw een transport gevormd. Met een rantsoen voor twee dagen onder de arm vertrekken ze vanuit het station van Papenburg voor een lange reis.
Zo nu en dan blijft de trein gewoon uren in de kou stilstaan. Na drie dagen komen ze, uitgehongerd, aan in Groβ-Strehlitz – een Zuchthaus gelegen in Polen.
Een tuchthuis is een gevangenis waar ook aan ‘wederopvoeding’ wordt gedaan.
In Groβ-Strehlitz moet René werken in de Schneiderei – de kleermakerij.
Hier herstellen zij gevangenisplunjes en ook uniformen van gesneuvelde Duitsers.
De uniformen komen rechtstreeks van het slagveld en geregeld hangt er nog geronnen bloed rond de duidelijk herkenbare kogelgaten.
Zijn kapotgestampte linkervoet is al maanden ontstoken en hij wordt opgenomen in de ziekenboeg waar een dokter, zelf een gevangene, hem probeert te helpen.
Helaas zonder enige middelen.
De avond van 6 juni 1944 brengen de mannen die buiten in de wapenindustrie werken het nieuws mee van de geallieerde invasie in Normandië.
De vreugde onder de gevangenen is zeer groot en het waakvlammetje van de hoop laait op.
Het regime in Groβ-Strehlitz is best draaglijk.
Er wordt veel minder geslagen dan in Esterwegen, maar toch moeten de gevangenen zich geen illusies maken. Ze blijven ‘vijanden’ en de weerstand tegen het glorierijke Nazirijk moet uitgeroeid worden.
Met zijn voet gaat het intussen van kwaad naar erger.
René kan niet meer stappen en zijn vrienden moeten hem dragen.
Op 5 augustus 1944 viert hij in het kamp zijn achttiende verjaardag. Nu ja, vieren!
Tot nu toe is René nog niet voor een rechtbank moeten verschijnen hij hoopt stiekem dat ze hem vergeten zijn. Maar dat is buiten de Duitse Gründlichkeit gerekend want op 10 dagen na zijn verjaardag zetten ze hem opnieuw op transport.
In de trein naar Donauworth herkent hij vier andere Lierse weerstanders die ook van spionage beticht worden. Ze zijn op weg naar Kaisheim, honderd kilometer van München. Hun nieuwe thuis is een voormalig Cisterciënzerklooster dat al sinds 1816 gebruikt wordt als gevangenis.
Na een periode van quarantaine belandt René in de infirmerie, in een kamer voor zes.
Zijn voet is intussen zeer dik geworden, klopt pijnlijk en voelt vreselijk warm aan.
Om zijn voet te redden moet zijn wreef opengesneden worden en de etter verwijderd. En omdat er van verdoving of medicijnen geen sprake is, moeten drie medegevangenen hem stevig vasthouden tijdens de operatie. Het gat in zijn voet wordt nadien opgevuld met vodden, die – in de mate van het mogelijke – af en toe vervangen worden.
Ongeveer 150 mannen, van verschillende nationaliteiten, wachten hier op hun vonnis van het Sondergericht. Op geregelde tijdstippen wordt een groepje weggehaald om nooit meer terug te keren. Op hun vraag krijgen ze dan als antwoord van de bewaker een vinger die langzaam langs de keel glijdt. Er is een guillotine in Kaisheim en die wordt gebruikt.
Op een dag in september worden twee Franse mannen opgehaald. Ze kennen het scenario, ze weten wat er gaat gebeuren en nemen afscheid.
Groot is de verrassing wanneer de twee enkele uren later teruggebracht worden. Door een bombardement op Keulen zijn vele dossiers vernietigd en de bewijzen die nodig zijn om te veroordelen zijn verdwenen. Het Sondergericht zit zonder werk. Wat een geluk.
In januari 1945 volgt het transport naar Dachau.
Zijn linkervoet heeft het volledig laten afweten en René wordt gedragen door zijn medegevangenen.
Bij de aankomst in Dachau worden hun kleren en bezittingen niet geregistreerd, zoals overal elders, maar op een hoop gegooid. De zieken blijven helemaal naakt en krijgen zelfs geen kampkleren. Dit is duidelijk. Dachau wordt het eindstation.
In al zijn naaktheid houdt René een vulpen verborgen in zijn hand. Een doodgewone vulpen. Een pen die hij bij zijn vertrek uit Kaisheim in de zwachtels rond zijn linkervoet heeft kunnen meesmokkelen.
De zieken worden op platte wagens geladen en naar het Revier, de ziekenbarak gebracht. Het is een verzamelplaats voor alle mogelijke ziektes en handicaps.
Medische hulp is beperkt en de dokters en verplegers, zelf gevangenen hebben geen materiaal, geen medicijnen. Het is er eerder een wachtkamer van de dood dan een ziekenboeg.
Bij aankomst in het Revier geeft Michel, een vriend uit Gent, hem de raad om zijn pen, die toch voor niets meer zal dienen, te schenken aan de Kapo. Een Kapo was meestal een gevangene van gemeen recht die als barakoverste de leiding toegewezen kreeg en daardoor een aantal privileges had. De Kapo is gevoelig voor dit gebaar en vanaf dan krijgt René een voorkeursbehandeling. Op geregelde tijdstippen komt een SS-officier de ongeneeslijken ophalen voor vernietiging. De Kapo stelt de lijst samen maar de naam van René komt nooit op een lijst.
Een vulpen, een doodgewone vulpen heeft zijn leven gered.
En dan – eindelijk – op 29 april 1945 rollen de Amerikaanse tanks binnen op het appelplein van het Konzentrationslager van Dachau.
Wat de Amerikanen aantreffen, is pure horror.
In het kamp dat voorzien is om dertigduizend gevangenen te herbergen, zitten er op dat ogenblik zestigduizend mensen. Zestigduizend uitgemergelde geraamten, talloze zieken en gewonden, stapels lijken voor het crematorium.
Gelukkig hebben de SS’ers het bevel van Himmler, dat geen enkele gevangene levend door de geallieerden mag aangetroffen worden, niet meer tijdig kunnen uitvoeren.
René leeft nog!
Maar hoe.
Hij beseft met moeite dat het einde van zijn lijdensweg is aangebroken.
In een van de stenen gebouwen van de SS’ers wordt een tijdelijk ziekenhuis ingericht. Amerikaanse artsen gaan aan de slag met penicilline, calcium en andere medicamenten.
Een verpleger weegt René en noteert zevenentwintig kilo in zijn medisch dossier. Bij zijn aanhouding woog hij er zeventig. Op een radiografie van zijn voet ziet de arts dat, op enkele stukken na, de beenderen van zijn linkervoet volledig zijn weggezworen.
Na twee maanden goede voeding en medische zorg is René eindelijk sterk genoeg om de reis naar huis aan te vatten. Via een kliniek in München wordt hij met een ambulance naar Augsburg gebracht. Een vliegtuig van het Franse Rode Kruis brengt hem naar Parijs en van daaruit gaat het met een trein van het Rode Kruis richting Brussel. Daar ziet hij eindelijk zijn ouders terug. Ze komen hem ophalen om hem met een ambulance naar het ziekenhuis in Lier te brengen.
Het is 25 juni 1945.
René mag voor één dag naar huis om bij zijn familie te zijn. Dat is een zeer emotioneel moment want zijn vader, zelf pas terug uit gevangenschap, heeft als ervaringsdeskundige gewaarschuwd dat de kans om hem terug te zien zowat onbestaande is.
Een dag later, op 27 juni 1945 wordt zijn linker onderbeen geamputeerd tot aan de knie. Het duurt nadien nog bijna een jaar, tot april 1946 vooraleer hij uit het ziekenhuis ontslagen wordt. En dan moet hij thuis nog enkele maanden in bed revalideren.
Begin 1947 begint dan eindelijk de rest van mijn leven.
René vindt werk bij de scheepswerf Beliard Murdoch in Antwerpen als administratief bediende. Met de nodige ambitie schrijft hij zich in aan het Nationaal Instituut voor Hogere Studiën in Brussel voor de richting Economie en Boekhouden. Omdat dit thuisstudie is, kan hij dit combineren met zijn job. Ieder jaar legt hij schriftelijk examens af in Brussel en zo vergaart hij de nodige attesten en diploma’s.
In 1982, René is dan diensthoofd op de rederij en vijfenvijftig jaar, mag hij op brugpensioen.
Een paar jaar later trouwt hij met Alicia – Issy – Suela.
Dat verhaal is nog niet beschreven.
En vandaag is René honderd jaar. Een eeuw oud. En wat voor eeuw.
Sommigen onder jullie denken nu stiekem dat ik wel erg lang blijf hangen bij een bepaalde fase uit René’s leven. Dat is correct.
Zij die snel kunnen rekenen hebben al uitgevogeld dat van de dag dat René werd opgepakt tot aan de bevrijding van het kamp van Dachau in 1945 er exact 562 dagen verlopen waren.
En dat de verhouding van 562 tot een mensenleven van 100 jaar of 36.525 dagen een miezerige 1,54 % van zijn leven was.
Voor de kommaneukers onder jullie; ik heb rekening gehouden met de schrikkeljaren!
Ik spendeer dus al mijn en jullie tijd met een relaas dat, ocharme, 1,54% van René’s leven afdekt!
ABSOLUUT NIET WAAR.
De honger, de slagen, de aanslag op hun fysische integriteit was niet iets om te vergeten maar dat konden zij nog tamelijk snel een plaats geven, dat kon relatief gemakkelijk deel gaan uitmaken van de anekdotiek van hun kampwedervaren.
René is teruggekomen met een verbrijzelde, zwerende voet waardoor zijn been moest worden geamputeerd.
Zijn lichamelijk letsel werd geen onderdeel van de herinnering maar een invaliditeit die een blijvende impact zou hebben op zijn mobiliteit voor de rest van zijn leven.
De vernederingen, de sluipende ontmenselijking, de aanval op hun Integriteit als mens bleef wel plakken bij de oud-gevangenen.
Dat hebben zij allemaal hun leven lang meegedragen.
Zij en hun eventuele partners kregen te maken met de nachtmerries, die het gevolg waren van hun angsten, van hun onrust.
Een leven lang.
Dames en Heren,
Wij kennen het Vlaams gezegde: De tijd heelt alle wonden.
Dat geldt misschien voor fysische wonden.
Voor de wonden van de ziel en van de geest stellen wij vast dat de tijd een soort balsem op die wonden smeert, dat de pijn verzacht wordt…
en dat je er dan moet leren mee omgaan.
Dat duurt een heel leven en niet zomaar 1,54% van een leven!
Goede vriend René,
Voor mij is nu het ogenblik aangebroken om jou een mooi geschenk te geven.
Dames en Heren,
René had mij gevraagd om vandaag, tijdens zijn feest toch zeker éénmaal het Belgisch Volkslied te spelen.
Ik denk dat daar nu de gelegenheid voor komt.
René,
Het heeft wat moeite gekost maar ik heb hier een brief met wensen en appreciatie voor jouw inzet in het verzet, ondertekend door Zijne Majesteit Koning Filip.
Ik nodig iedereen uit om recht te staan en de eer te bewijzen.
(Belgisch volkslied)
Beste René en Issy,
Dames en Heren,
Als Vriendenkring van oud-politieke gevangenen van Esterwegen zochten wij een origineel cadeau voor deze gelegenheid.
Wat geef je nog aan een man van 100 jaar?
Veel van René’s lotgenoten zijn, meestal op latere leeftijd, in hun pen gekropen en hebben hun wedervaren in boekvorm uitgegeven.
René was blijkbaar geen begenadigd schrijver want hij heeft dat niet gedaan.
Wel heeft René er meermaals in toegestemd om geïnterviewd te worden en zo zijn verhaal toch vast te leggen.
Ik heb het geluk gehad hem te mogen interviewen in het voorjaar van 2012 voor een boek dat nooit gemaakt is. Later hebben anderen dat interview bewerkt en enkele lacunes opgevuld.
Die finale tekst, die gepubliceerd werd in het ledenblad van de Ridders met Zwaarden heb ik in handen gegeven van een taalpurist die de tekst hertaald heeft naar mooi en leesbaar Nederlands.
Het resultaat dáárvan heb ik dan, samen met een handvol foto’s, in handen gegeven van een boekenmaker die er een uniek en mooi exemplaar van gemaakt heeft.
Dus, ook René zal in zijn bibliotheek een boek met zijn kampervaringen staan hebben.
De grafisch ontwerper die dit boek voor mij gemaakt heeft, was zwaar gechoqueerd toen ik vroeg om een behoorlijk aantal blanco bladzijden te voorzien achteraan in het boek.
Heiligschennis! Dat doe je niet!
Toch heeft hij het gedaan en ik vraag jullie allemaal hier aanwezig om die blanco ruimte straks te gebruiken en er een wens in te schrijven en/of om jullie naam (liefst leesbaar) te noteren.
Zo zal René morgen of overmorgen rustig kunnen nagenieten van de orkaan die nu, vandaag over hem neergekomen is.
(Lang zal hij leven)
Beste René,
Beste familie, beste vrienden en buren van René,
Lieve vriendinnen en goede vrienden,
Lieve, dappere Issy,
Achter elke man die in de schijnwerpers loopt, staat een sterke vrouw.
En dat is ook hier meer dan waar.
Klein maar dapper!
Vandaag staan de schijnwerpers op René gericht en wij zouden jouw rol bijna vergeten.
Ik durf te stellen dat René nooit 100 jaar zou geworden zijn als jij er niet was geweest.
Jij bent er altijd bij, als een alter ego, als een schaduw, een beetje als de ordonnans van de koning.
Je bent er altijd.
Voor René ben je niet alléén zijn soulmate, je bent zijn mantelzorger, je bent zijn bewaarengel.
Nadat René in 1982 met pensioen gegaan was hebben jullie elkaar leren kennen en zijn jullie gehuwd op 27 september 1988.
Straks, als het stof van deze viering terug is neergedaald zullen jij en René in alle rust jullie 38ste huwelijksverjaardag vieren.
Lieve Issy,
Voor jou hebben wij een mooi boeket bloemen.
Geniet ervan en mogen ze jou motiveren om René verder te blijven vertroetelen.
(Lang zal zij leven)
Ook in naam van René dank ik jullie voor jullie aanwezigheid.
Geniet nog van het dessert.
En …
De zaal is al besteld.
Wij nodigen jullie allemaal uit om over ongeveer 30 jaar de 100ste verjaardag van Issy te komen vieren.